Of dakloze mensen in Nederland bij winterkou binnen kunnen slapen, hangt sterk af van de gemeente waar ze verblijven. Dat blijkt uit het verkennende rapport ‘In de kou gelaten: de praktijk van de Winterkouderegeling in Nederland’ van Dakloosheid Voorbij!. Voor het eerst is landelijk in kaart gebracht hoe gemeenten de Winterkouderegeling uitvoeren.
Voor het onderzoek vulden 42 van de 44 centrumgemeenten die verantwoordelijk zijn voor maatschappelijke opvang in hun regio een vragenlijst in. Daarnaast deelden 70 dakloze mensen hun ervaringen en gaven 40 professionals – onder wie opvangmedewerkers en verpleegkundigen – signalen uit de praktijk.
De Winterkouderegeling is bedoeld om mensen die buiten slapen te beschermen wanneer weersomstandigheden een ernstig gezondheidsrisico vormen. Anders dan de reguliere maatschappelijke opvang zou iedereen die buiten slaapt toegang moeten hebben, ongeacht achtergrond of verblijfsstatus en zonder financiële drempels. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft hiervoor een handreiking opgesteld met uitgangspunten voor toegang en uitvoering.
Een vangnet dat geen vaste bodem kent
“Nederland heeft beloofd dakloosheid vóór 2030 te beëindigen. Maar we kunnen niet eens garanderen dat iedereen zonder onderdak een bed en een plek heeft wanneer het vriest. Dit rapport is een oproep aan het Rijk en gemeenten om van de Winterkouderegeling een echte humanitaire ondergrens te maken. Bescherming tegen winterkou moet een recht zijn, geen loterij” zegt belangenbehartiger Wies Maas, een van de auteurs van het onderzoek.
De verkenning laat zien dat een landelijke minimumnorm ontbreekt. Centrumgemeenten hanteren uiteenlopende criteria voor openstelling: sommige openen de regeling bij een gevoelstemperatuur onder nul, andere pas na meerdere dagen strenge kou. Er zijn zelfs gemeenten waar de regeling afgelopen winter helemaal niet open ging. Daardoor is bescherming tegen winterkou afhankelijk van lokale keuzes.
Ook verschillen centrumgemeenten in voorwaarden, eigen bijdragen, capaciteit en openingsperiode. In acht gemeenten wordt een eigen bijdrage gevraagd, terwijl dat ingaat tegen de richtlijnen van VNG. Daarnaast gaat het vaak alleen om nachtopvang. Overdag staan mensen opnieuw buiten, terwijl ook dan de kou gezondheidsrisico’s oplevert.
Open en weer dicht
Er zijn twee manieren waarop gemeenten hun Winterkouderegeling vormgeven: permanent gedurende de wintermaanden (1 november tot en met 31 maart) of tijdelijk, op basis van weersvoorspellingen.
De meeste gemeenten kiezen voor het tweede model. Daardoor opent en sluit de opvang meerdere keren per winter. Dat zorgt voor onzekerheid en onderbreekt zorg en begeleiding. Mensen weten niet of ze ’s avonds binnen kunnen slapen en blijven in een permanente overlevingsstand.
“Als de opvang nu langer open was, bijvoorbeeld twee maanden achter elkaar, dan kon ik makkelijker aan mijn situatie werken om die te verbeteren”, zegt een winteropvang bezoeker.
Een verpleegkundige in de opvang verwoordt het als volgt: “Het is ongelooflijk dat wanneer de temperatuur 1 graad hoger is dan gisteren, wij mensen de straat op moeten sturen.”
Van richtlijn naar recht
Volgens de onderzoekers laat de verkenning zien dat een duidelijke landelijke humanitaire ondergrens ontbreekt. Bescherming tegen winterkou is daardoor geen gegarandeerd recht, maar afhankelijk van lokale keuzes.
Dakloosheid Voorbij! roept het Rijk op om te komen tot een landelijke regeling met duidelijke minimumnormen en structurele financiering. Gemeenten worden opgeroepen om de Winterkouderegeling gedurende de hele winterperiode permanent en 24 uur per dag open te stellen, zodat niemand ’s ochtends opnieuw de kou in wordt gestuurd.
“Zelfs als het niet vriest, is het buiten koud en dan moeten we toch op straat slapen. Wat voor leven is dat? Het is voor niemand goed. Het systeem zou altijd open moeten blijven”, schrijft een andere bezoeker.
Het volledige rapport is te downloaden via deze link.
