Wachten, wachten en nog eens wachten
Wachten, wachten en nog eens wachten

Wachten, wachten en nog eens wachten

Na mijn onrustige jeugd met overmatig alcohol- en drugsgebruik, raakte ik rond mijn 21e dakloos. Eerst zwierf ik door Nederland, om uiteindelijk in Utrecht te belanden. Na een de stad verkent te hebben en daklozen te hebben leren kennen besloot ik er te blijven. Rondzwerven was wel leuk, maar ook vermoeiend. Telkens nieuwe steden leren kennen en daar dan mijn weg vinden voor een slaapplek en wat te eten, nee. Utrecht voelde goed en voelt nog steeds goed.

Ik had in mijn puberteit veel met verschillende instanties te maken gehad dus ik had weinig zin om weer met hen in gesprek te gaan. Maar ik wist; als je van straat af wilt, dan moet dat. Dus ik ging een beetje rondkijken. Welke organisatie? De eerste was een kleine stichting waar ik goed contact mee had. Ik maakte een afspraak met een maatschappelijk werkster en vertelde haar hoe mijn afgelopen anderhalf jaar er uit had gezien. En dat ik nu echt van straat wilde. Ik zei haar dat ik ben moe was van dit leven.

Ze vroeg aan mij: Heb je een psychiatrische aandoening? Een diagnose? Ik zei: Nee. Ze vroeg of ik een verslaving had. Ik zei: Nee, ik lust graag een biertje en een blowtje maar ben niet verslaafd. Dan wordt het heel moeilijk, zei ze. Ik zei: Ik zie om me heen andere mensen toch ook een huis krijgen. Zegt zij: Ja, maar jij bent zelfredzaam. Ik: Watte? Zij: Jij kan te goed voor je zelf zorgen. Ik zei: Als ik nog langer op straat blijf lopen dan ben ik straks wel verslaafd en doorgedraaid, afgestompt en weggegleden van de maatschappij. Zij: Ik kan je bij verschillende woonvoorzieningen aanmelden, maar ik geef je weinig kans.

De ene na de andere intake bij verschillende woonvoorzieningen volgde, waar ik afwijzing na afwijzing kreeg. Dit altijd onder het mom van: je bent te zelfredzaam en zo. Zo vlogen er jaren met meer pogingen voorbij. Tot ik het daklozenleven, met de hele dag mensen om je heen, de stress, de onrust, de uitzichtloosheid, amper nog trok. Ik zat van ‘s ochtends tot ‘s avonds langs het water met een tas bier en keek naar de bootjes. Even weg van al die stress.

Op een middag word ik opgebeld door mijn begeleidster. Die vroeg of ik langs kon komen. Ik zei haar dat ik had gedronken en daar geen zin in had. Wat was er zo belangrijk dan? Had ze een huis voor me of zo? Christiaan, kom nou maar even langs.

Met tegenzin ging ik naar haar toe. Ik kom bij haar op kantoor en ze zegt ga maar even zitten. Ik antwoord: Nee, waarvoor moest ik komen? Ze zegt: Oké Christiaan, je hebt urgentie gekregen. Ik: Als dit een heel ziek geintje is dan praat ik nooit meer tegen je. Ik print hem voor je uit, zegt ze. Ik lees de brief en nog een keer en zeg tegen haar: Ik heb gewoon urgentie gekregen! Zij: Ja binnenkort heb je een huis.

Ah, nooit meer buiten slapen.