Mijn laatste drugs dagen
Mijn laatste drugs dagen

Mijn laatste drugs dagen

Na een pubertijd met overmatig alcohol- en drugsgebruik nam ik contact op met mijn reclasseringsambtenaar. Ik vroeg hem of hij me kon helpen andere woonruimte vinden met de daarbij passende hulp. Hij regelde een afspraak bij het Leger des Heils in Zwolle.

Na een weekendje flink doorhalen, stapte ik maandagochtend op de trein voor de intake. Ondanks dat ik al vanaf donderdag wakker was, meldde ik me op tijd bij het loket. Met een koffie in mijn hand en een onrustig lichaam, nog vol met drugs, ging ik het intakegesprek in. Het was met een dame. Voor mijn gevoel gaf ik de stomst mogelijke antwoorden op haar vragen. Maar na het gesprek liet ze me, tot mijn verbazing, mijn kamer zien. Ze moest toch wel doorhebben dat ik compleet van het padje was?

Ik gooide mijn tas op het bed en liep het pand uit om het voor mij onbekende Zwolle te ontdekken. Ik zocht een supermarkt op om een paar biertjes te kopen en een rustig plekje om ze op te drinken. Ik dacht, straks dan zit ik aan tafel met de andere bewoners die wel meteen doorhebben dat ik nog helemaal strak sta van de drugs. Ik besloot dan ook maar om die dag het eten over te slaan, nog meer bier te halen en deze op mijn kamer op te drinken. Ik probeerde wat te slapen, wat na veel draaien eindelijk lukte. Na een korte nachtrust en met een kater van de alcohol en drugs, liep ik de gezamenlijke woonkamer in.

Ik ben ergens in een hoek gaan zitten om de boel een beetje in me op te nemen. Een vriendelijke bewoonster vroeg of ik een bakje koffie wilde. Ze haalde een kan koffie en kwam bij me zitten. Ze legde me uit hoe het werkte en welke personeelsleden moeilijk waren en welke je goed kon hebben. Na dit fijne gesprek ging ik terug naar mijn kamertje om mijn tas uit te pakken. Ik ging op het randje van mijn bed zitten en begon na te denken hoe het allemaal zo ver had kunnen komen. Het antwoord waar het precies fout was gegaan kon ik niet vinden, dus besloot ik even snel te douchen en weer het centrum in te gaan. Om maar weer bier te halen. Ik zocht weer een plekje op om rustig te drinken. Hoe langer ik daar zat, hoe onrustiger ik werd. Ik begon in een sneller tempo mijn biertjes te drinken, maar de onrust bleef.

Tot het kwartje viel… Kut ja, mijn lichaam wil drugs. En die heb ik niet meer en ik wil het ook niet meer! Ik dronk mijn biertjes op en liep terug naar het begeleid wonen pand. Op mijn kamer probeerde ik wat te slapen, wat niet echt lukte. Ik viel van de ene vage droom in de andere om daarna bezweet wakker te worden en te denken… Oh, het was maar een droom! Na een onrustige nacht ben ik opgestaan en dacht na over mijn toekomst. Zo van “je kan hier niet de rest van je leven blijven wonen. Je moet nog wat met je verleden doen”.

In een gesprek met mijn contactpersoon gaf ik aan dat ik wat met mijn verleden wilde doen en dat ik graag met een psychiater aan de slag wilde gaan. Zij zei dat de plek waar ik nu zat daar niet geschikt voor was. Wilde ik er wat aan doen en dan kon het niet. Toch heb ik, op twee terugvallen na, nooit meer drugs gebruikt.

Na een rondzwerving door Nederland kwam ik dakloos aan op Hoog Catharijne, vlak na de sluiting van de tunnel. Ik liep langs de winkels waar toen veel drugsgebruikers zich ophielden. Toen ik uiteindelijk aankwam bij Vredenburg, stond ik stil op het plein. Ik draaide me om en dacht: “Daar had ik nu ook kunnen staan als ik niet gestopt was met drugs gebruiken.”