Ik wil hier weg!
Ik wil hier weg!

Ik wil hier weg!

Na een onrustige jeugd met veel ruzie thuis, ben ik al vroeg gaan experimenteren met alcohol en drugs, zoals ik in mijn vorige column schreef. Dat begon als een avontuurtje en… – ja, maak er maar een mooi lulverhaal van – ik wou zeggen: zelfmedicatie. Al was dat misschien, heel erg in de verte, toch wel zo. Op een gegeven moment was ik in ieder geval zo ver heen dat de drugs mijn leven begon te bepalen.

Wanneer ik s’ ochtends wakker werd, lag ik al te denken aan het eerste snuifje of mijn eerste pilletje. En hoe ik dat moest regelen. Ik verkocht op dat moment zelf, dus verder zoeken dan onder mijn matras hoefde ik niet. Ik wist dat ik fout bezig was en dat dit niet lang goed kon blijven gaan. Maar ik bleef maar doorgaan vluchtend voor mijn verdriet. Dat wou er toch uit. Voor mij voelde het soms als een wedstrijd. Wie gaat het winnen? Mijn verdriet of de drugs. Soms, als ik te weinig drugs had genomen en te veel alcohol, dan kwam me verdriet er uit. Wegstoppen lukte dan niet meer. Ik wist dan ook: je moet wat met dat verdriet doen. Maar door mijn leefstijl had ik daar geen ruimte of tijd voor. In de wereld waar ik toen in zat kon ik geen dag missen of huilend over straat lopen. Het voelde alsof ik in een sneltrein zat zonder rem.

In het begin, ook al had ik geweten waar de rem zat, had ik hem waarschijnlijk niet gebruikt. Maar op een gegeven moment wist ik niet meer waar de rem zat. En ik wist dat ik die rem in mijn eentje niet meer zou vinden. Heel goede ervaringen met de hulpverlening had ik niet, dus daar kon ik ook niet om hulp vragen. Ik had nog wel goed contact met reclassering, maar daar kon ik ook niet alles tegen vertellen van hoe en waar ik me geld vandaan haalde.

Op een gegeven moment woonde ik in een kraakpand in het centrum. Het dealen lukte niet meer. Hoe zeggen ze dat ook alweer: Don’t get high on your own supply. Nou, dat deed ik dus wel. Dus ging het van dealen naar winkeldiefstal en fietsen stelen. Ik voelde dat ik de strijd aan het verliezen was. Dit had nog weinig te maken met verdoven. Ik was gewoon verslaafd Ik heb toen op een maandag de reclassering gebeld waar ik al een paar jaar goed contact mee had. Ik sta in het centrum bij zo’n groene telefooncel. Ik zeg de beste man: ‘ik ben klaar, ik wil hier weg’. Een schreeuw om hulp laat ik maar zeggen.

Hij zegt: ‘Ik ga even rondbellen dan bel ik je terug.’ Ik zeg: Ik sta in een telefooncel.’ Hij zegt: ‘Er staat een nummer op die telefooncel.’ Ik kijk op die telefooncel en zie wat cijfertjes staan, maar die dansen voor mijn ogen: ‘Ik kan er niks van maken’, zeg ik tegen de beste man. Ik zeg ‘Ik sta bij die telefooncel.’ Hij zegt: ‘blijf bij de telefoon. Ik bel zo terug.’

Heeft u wel eens het gevoel gehad dat de tijd stil staat? Dat gevoel had ik op dat moment. Mijn gedachten vlogen alle kanten op. Weet je zeker dat je dit leven niet meer wil? Wat ga je dan doen? Maar de boventoon van mijn gedachten en gevoel was: je moet nu weg hier. Ik hoor de telefoon over gaan, ik pak hem op met gemengde gevoelens: ‘Ja, met Christiaan.’ Ik hoor aan de andere kant: ‘Ja, met mij nog een keer. Ik heb rond gebeld en maandag kun je terecht bij het Leger des Heils in Zwolle.” Ik zeg dank je wel en hij vraagt: ‘Christiaan kun je proberen om er een beetje nuchter te komen?’ Ik zeg: ‘Ik doe mijn best.’

Hoe de intake die maandagochtend is gegaan en waar ik terecht kwam vertel ik volgende keer.